Come, Shepherds, Deck Your Heads schreef ik in 2004 op verzoek van het toenmalige Bartók Trio.
Het was een bewogen tijd in mijn componistenbestaan. Niet alleen besloot ik mij toen vooral op traditionele kamermuziek te gaan richten, maar tegelijkertijd ging ik als uitgangspunt voor mijn composities steeds meer gebruik maken van traditionele en historische volksmuziek en religieuze muziek.
In het pianokwintet T’Andernaken, uit 2002, gebruikte ik al Gregoriaans en melodieën van Sweelinck en het Antwerps Liedboek en dat gaat door van de grote Super Suite (2016) op Gregoriaans en Geneefse Psalmen tot het monumentale Songs of War & Peace (2020) op melodieën uit de Dertigjarige Oorlog.
Ook de naamgever van Nancy’s toenmalige trio, de door mij bewonderde componist Béla Bartók, baseerde zijn werk op traditionele muziek – de volksmuziek die hij verzamelde en onderzocht.
Ook hij speelde daarmee het uitgebalanceerde spel van herhaling en ontwikkeling dat we erfden van Beethoven, Haydn en Mozart. Ook hij ging, toen al, tegen het heersende Modernisme in: van zeer complex en vernieuwend werd zijn muziek steeds eenvoudiger en meer op geschiedenis gericht.
Net als die periode van mijn leven bestaat ook mijn trio uit 2004 uit een ‘metamorfose’. Van verre, abstracte duisternis gaat het naar een verhelderde innerlijkheid, waarbij volksmuziek en historische elementen een allengs grotere rol gaan spelen. Na een complex, beweeglijk en duister openingsdeel verwijst het langzame tweede deel naar de verre gamelan, en klinkt uiteindelijk een stralend helder slotdeel dat zowel tango als historische Nederlandse volksmuziek gebruikt.
In het eerste deel staan milde, lyrische klarinetlijnen lijnrecht tegenover hamerende, nerveuze ritmiek in de viool. Beide soorten muziek spruiten voort uit het allereerste, simpele openingsmotief van een dalende hele toon. Anders dan in de klassieke sonate (met de ‘reprise’) neemt dat motief voortdurend nieuwe gedaanten aan in verschillende muzikale stijlen, en zal dat ook in de andere delen van het stuk blijven doen. Vandaar de titel Metìccio: een mengsel van soorten en genres.
Het tweede deel is een grillige, pastorale Nocturne in de stijl van Bartók’s ‘nachtmuzieken’. De Indonesische gamelan speelt een grote rol, net als soms bij Bartók. In een stille tropische nacht vol gamelan-achtige pianoklanken monden koortsachtige aanzetten van viool en klarinet uit in een heftige Balinese duivelsdans, terwijl als een schim uit het duister steeds een kort citaat opdoemt uit Arnold Schönberg’s Sechs Kleine Klavierstücke, op. 19, (no.6 ‘In memoriam Gustav Mahler’).
Het slotdeel noemde ik Jeu-parti. In dit liedgenre van de Middeleeuwse trouvères bezingen hoofse minnaars in dialoog verschillende standpunten over de liefde. In mijn muziek zingen de instrumenten elkaar toe in verschillende stijlen, uitmondend in een tango-achtige conclusie. Uit die twintigste-eeuwse, erotische stijl komt opeens een parafrase voort van Come, Shepherds, Deck Your Heads, een prachtige melodie uit Valerius’ Gedenck-Clanck uit 1626 die de rouw om een verloren liefde bezingt. De heftige tango brengt de instrumenten toch tot elkaar en de melodische metamorfosen van het stuk tot een einde.
Zo staat de melodie in Valerius, met vaderlandslievende tekst:

De oorspronkelijke tekst:
Come , Shepherds, deck your heads
No more with bays but willows;
Forsake your downy beds,
And make the downs your pillows:
And mourn with me, since crossed
As never yet was no man,
For shepherd never lost
So plain a dealing woman.