Willem Wander van Nieuwkerk componist

nederlands · english

Tekst

Terug naar tekstenoverzicht

Boudewijn Buckinx en Yves Knockaert: Muziek uit de voorbije eeuw

[Deze tekst verscheen eerder in het Nederlands Tijdschrift voor Muziektheorie 6/1 (2001), p. 80-81]

Boudewijn Buckinx en Yves Knockaert
Muziek uit de voorbije eeuw
Peer: Alamire Muziekuitgeverij (1999)
ISBN 90 - 6853 - 141 - 7

Boudewijn Buckinx en Yves Knockaert leggen met deze essaybundel een intrigerende balans aan ons voor van de klassieke muziek van de 20e eeuw, muziekhistorisch en tevens muziekbeschouwelijk van aard. Beide auteurs hebben allebei al eerder historische beschouwingen gepubliceerd over het Postmodernisme op het einde van de 20e eeuw, en dit gezamenlijke boek is niet minder dan een proeve van een terugblik op de gehele eeuw van het Modernisme, door twee gelijkgerichte, Postmoderne muziekdenkers. Het is een moedig boekje geworden, of althans een boek dat met intrigerende roekeloosheid een enorme berg vraagstukken loswoelt. Als docenten muziekgeschiedenis (Knockaert aan het Lemmensinstituut in Leuven en Buckinx aan het Conservatorium van Antwerpen) stellen ze daarmee een uitdagend voorbeeld voor vakgenoten die om diezelfde hete brei heen wandelen.

Welk probleemveld strekt zich uit onder hun postmoderne blik?
Eerst verkennen zij met hoofdstukken over De geschiedenis en De stijl het musicologisch instrumentarium. Dan volgt een serie essays over een reeks criteria waarop muziekwerken, hun makers en hun uitvoeringen op beoordeeld kunnen worden: Het engagement, De vrijheid en Canon, De originaliteit, een essay over het experiment (onder de titel ‘Cage is dood’), Authenticiteit, en De ernst. Ze aarzelen niet zich aan de hoogste graad van filosofische beschouwelijkheid te wagen in teksten over ‘De muziek als taal’, ‘De muziekfilosofie na Adorno’ en ‘De kunstcriteria’. Heel postmodern duiken zij daarna neer, in ‘De verdekte beurs’ en ‘De reclame’, op lage cultuurpolitieke zaken als subsidie en maecenaat, en op de verhouding tussen klassieke muziek, popmuziek en cultuurindustrie. Charmant is natuurlijk het hoofdstuk over ‘De toekomst’ dat, net zoals je de TV aanzet voor het weerbericht, een goede reden is om dit boek te gaan lezen.

De lezer, die natuurlijk met rode oortjes begonnen is, merkt meteen dat behalve de onderwerpen ook vorm en stijl een postmodern gehalte hebben. De auteurs doen niet alsof ze met één mond één waarheid preken, en dat zeker niet uit één volle borst. Elk van de genoemde onderwerpen wordt, na een korte gezamenlijke inleiding, behandeld in twee typografisch paralelle teksten (Buckinx verso, Knockaert recto), die niet per se overeenstemmen: 14 onderwerpen dus in 28 essays. Tel hierbij op een nogal stug volgehouden ‘lichte’ toon, verlucht met ernst, ergernis en soms lichte woede, alsmede een voorkeur voor paradox (bij Knockaert) en parabel (bij Buckinx, die zijn verhaal ophangt aan de prentbriefkaarten van vakantievierende vrienden), en het is duidelijk dat de lezer, al door de schrijfstijl, een postmoderne houding wordt voorgehouden die er nadruk op legt dat subjectiviteit en emotie onontkoombaar zijn, en leiden tot een meervoud aan interpretaties.

Het Postmodernisme zelve hebben zij elders al verklaard; dit boek draait om de polemiek met het Modernisme. Wat is dat? Buckinx legt uit dat het is “alsof er door de voorbije eeuw en kwade geest waait”. Welke? “De theorieën van Hindemith, Partch, Stockhausen, Cage, Xenakis,….zijn onherleidbaar (…) en toch heeft de monopoliseringstrend ze opgevreten tot een allesomvattende modernistische theorie.” Hoe kan dit? Hier wijst Knockaert een duidelijke boosdoener aan, die ook voor Buckinx herhaaldelijk van groot belang blijkt: Th. W. Adorno. De geschiedenis van het Modernisme volgens Knockaert is, bruusk samengevat, de wijze waarop de ethiek en het historisch besef van de Tweede Weense School, via Adorno, zijn terechtgekomen bij de School van Darmstadt. Het is dit “modernisme van Adorno” dat (op p. 187) de tegenhanger blijkt van het Postmodernisme: “In het modernisme heersten de eenduidigheid en de rechtlijnigheid van de vooruitgang en de objectiviteit van de beschouwer. Dat ideeëngoed is opgeheven.”

De lezer begrijpt nu beter welke ‘kwade geest’ er steeds door de voorgaande hoofdstukken tochtte: die van