Willem Wander van Nieuwkerk componist

nederlands · english

Muziek alle werken

Op CD

Meer informatie / bestellingen

Laatste update: 03-08-2017

Muziek > Bergidylle (2010)

Bergidylle

Sopraan, klarinet en piano
tekst: Heinrich Heine

Drie delen:
1. Largo - piu mosso: Auf dem Berge steht die Hütte, Wo der alte Bergmann wohnt…
2. Liberamente - meno mosso: Tannenbaum mit grünen Fingern, Pocht ans niedre Fensterlein…
3. Largo - piu mosso: Still versteckt der Mond sich draussen, Hinterm grünen Tannenbaum…

Duur: ca. 25 min

Verhalende liedcyclus in drie delen op drie gedichten ‘Aus der Harzreise’ (1824) van Heinrich Heine.
Voor het Trio Amare: Sabine Wüthrich (sopraan), Céleste Zewald (klarinet) en Daniel Kramer (piano). Geschreven met financiële steun van het trio zelf.

tekst is in aanbouw

Korte inhoud:

  1. Op een maanbeschenen Berg, tussen maanbeschenen dennen, zien we de Reiziger, die, in een rustiek houtgesneden leunstoel gezeten, vol geluk toeziet op het idyllische tafereel van drie Bergbewoners wier hut hij bezoekt: een kleine, jonge blondine met stralende ogen en rozenrode lippen, haar moeder aan het spinwiel en haar vader die de cither bespeeld onder het zingen van aloude bergliederen. Deze Jonge Geliefde (voor wie de Reiziger een meer dan toeristische belangstelling schijnt te koesteren), doet een nogal onaangename ontboezeming: geen erotische geheimen, maar het verhaal over het harde en eenzame leven op de Berg. Aanbeland bij het naarste deel, over de boze geesten die de plek beheersen, durft ze plots niet meer verder te praten. De Reiziger echter, begeleid door de rustgevende klanken van citer en spinnewiel, zegt kalmerend dat engelen haar vast de hele nacht zullen bewaken.

  2. Zelfde scene – vader en moeder zijn in slaap gevallen. De Jonge Geliefde, wat bevreesd door des Reizigers trekkende mondhoeken en gloeiende ogen, vraagt zich af of die wel een diep Christelijk geloof verraden. Geruststellend legt hij haar uit hoe hij, al op jonge leeftijd, eerst de Almachtige Scheppende Vader ontdekte, toen de geliefde en liefhebbende Zoon, en ten slotte de Heilige Geest, volgens hem een formidabele kracht die ons met zijn Ridders bevrijdt van onderdrukking, armoede en bijgeloof. Zich opzwepend tot steeds verhevener moraal, verklaart hij dat hijzelf zo’n Geharnaste Ridder is van de Heilige Geest.

  3. Zelfde scene – met stralende ogen vertelt de Jonge Geliefde op haar beurt hoe schril het trieste heden der Bergbewoners afsteekt tegen de betoverde geschiedenis van de Berg. Het weinige voedsel dat boze dwergen hun overlaten wordt gesnaaid door de kat, een vermomde heks, die het meeneemt naar de puinhopen van wat ooit een trots en levendig kasteel was. Ze openbaart dan het bijgeloof der Bergbewoners: op een dag, wanneer een magisch woord gesproken wordt, zal het trotse, rijke en nobele kasteel met al zijn jonge Ridders weer in oude luister hersteld worden. De Reiziger krijgt dan een vreemd gevoel van herkenning. Terwijl hij het magische woord op het puntje van zijn tong lijkt te voelen, barst hij los in een gloedvol beschrijven van hoe niet alleen de magische Bergwereld van weleer nu zal terugkomen, maar ook zijn eigen prachtige en geliefde Jeugd. Hij zal haar dan eindelijk als zijn Prinses kunnen nemen en de hele Bergwereld aan haar voeten kunnen leggen.

De complete tekst ‘aus letzter Hand’ staat op het prachtige Heine Portal

Auf die Berge will ich steigen,
Wo die dunkeln Tannen ragen,
Bäche rauschen, Vögel singen,
Und die stolzen Wolken jagen.

Lebet wohl, ihr glatten Säle!
Glatte Herren, glatte Frauen!
Auf die Berge will ich steigen,
Lachend auf euch niederschauen.

Bergidylle - 1.

Auf dem Berge steht die Hütte,
Wo der alte Bergmann wohnt;
Dorten rauscht die grüne Tanne,
Und erglänzt der goldne Mond.

In der Hütte steht ein Lehnstuhl,
Ausgeschnitzelt wunderlich,
Der darauf sitzt, der ist glücklich,
Und der Glückliche bin ich!

Auf dem Schemel sitzt die Kleine,
Stützt den Arm auf meinen Schoß;
Äuglein wie zwei blaue Sterne,
Mündlein wie die Purpurros’.

Und die lieben, blauen Sterne
Schaun mich an so himmelgroß;
Und sie legt den Lilienfinger
Schalkhaft auf die Purpurros’.

Nein, es sieht uns nicht die Mutter,
Denn sie spinnt mit großem Fleiß,
Und der Vater spielt die Zither,
Und er singt die alte Weis’.

Und die Kleine flüstert leise,
Leise, mit gedämpftem Laut;
Manches wichtige Geheimnis
Hat sie mir schon anvertraut.

»Aber seit die Muhme tot ist,
Können wir ja nicht mehr gehn
Nach dem Schützenhof zu Goslar,
Dorten ist es gar zu schön.

Hier dagegen ist es einsam,
Auf der kalten Bergeshöh’,
Und des Winters sind wir gänzlich
Wie begraben in dem Schnee.

Und ich bin ein banges Mädchen,
Und ich fürcht mich wie ein Kind
Vor den bösen Bergesgeistern,
Die des Nachts geschäftig sind.«

Plötzlich schweigt die liebe Kleine,
Wie vom eignen Wort erschreckt,
Und sie hat mit beiden
Händchen Ihre Äugelein bedeckt.

Lauter rauscht die Tanne draußen,
Und das Spinnrad schnurrt und brummt,
Und die Zither klingt dazwischen,
Und die alte Weise summt:

»Fürcht dich nicht, du liebes Kindchen,
Vor der bösen Geister Macht;
Tag und Nacht, du liebes Kindchen,
Halten Englein bei dir Wacht!«